Pieter Bruegel de Oude Feiten


Pieter Bruegel de Oude (ca. 1525-1569) was een Nederlandse schilder en ontwerper van gravures. Zijn werken geven een diepgaand en elementair inzicht in de mens en zijn relatie tot de wereld van de natuur.

Pieter Bruegel leefde in een tijd waarin de noordelijke kunst sterk werd beïnvloed door het Italiaanse maniërisme, maar ondanks de vereiste reis naar Italië voor studiedoeleinden, was hij verbazingwekkend onafhankelijk van de dominante artistieke belangen van zijn tijd. In plaats daarvan herleefde hij bewust de laatgotische stijl van Jheronimus Bosch als uitgangspunt voor zijn eigen zeer complexe en originele kunst.

Onze belangrijkste bron van informatie over Bruegel is de Nederlandse biograaf Karel van Mander, die in 1604 schreef. Deze bijna-tijdelijke schilder beweert dat Bruegel in een gelijknamige stad bij Breda op de moderne Nederlands-Belgische grens is geboren. De meest recente autoriteiten volgen echter de Italiaanse schrijver Guicciardini bij het aanduiden van de geboorteplaats van de schilder als Breda zelf.

Uit het feit dat Bruegel in 1551 toetrad tot het Antwerpse schildersgilde kunnen we afleiden dat hij tussen 1525 en 1530 werd geboren. Zijn meester was volgens Van Mander de Antwerpse schilder Pieter Coecke van Aelst, wiens dochter Bruegel in 1563 trouwde. Tussen 1552

en 1553 ging Bruegel naar Italië, waarschijnlijk via Frankrijk. Hij bezocht Rome, waar hij de miniatuurschilder Giulio Clovio ontmoette, wiens testament van 1578 drie schilderijen van Bruegel bevat. Deze werken, die blijkbaar landschappen waren, hebben het niet overleefd.

Over 1555 keerde Bruegel via de Alpen terug naar Antwerpen, wat resulteerde in een aantal prachtige tekeningen van berglandschappen. Deze schetsen, die de basis vormen voor veel van zijn latere schilderijen, zijn geen verslagen van werkelijke plaatsen, maar “composieten” gemaakt om het organische leven van vormen in de natuur te onderzoeken.

Vroegere Antwerpse stijl

In 1556 trad Bruegel in het huis van de Antwerpse uitgeverij Hieronymus Cock als ontwerper van gravures. Zijn pentekening van dat jaar met de titel Big Fish Eat Little Fish werd in 1557 als gravure uitgegeven door Cock, die de naam van Bosch verving door die van Bruegel om de mode te exploiteren voor de toenmalige Antwerpse werken van Bosch. De serie Seven Deadly Sins, die in 1558 werd gegraveerd, draagt echter de handtekening van de kunstenaar zelf, een teken van het toenemende belang van Bruegel. In deze werken bereikte Bruegel, in tegenstelling tot zijn Antwerpse tijdgenoten, een werkelijk creatieve synthese van de demonische symboliek van Bosch met zijn eigen persoonlijke visie op de menselijke dwaasheid en verdorvenheid. Ondanks pogingen om deze gravures af te doen als “fascinerende drollen”, zijn er aanwijzingen dat Bruegel probeerde een nieuwe en meer relevante eschatologie te vervangen door Bosch’ traditionele visie op de christelijke kosmos.

In het vroegst gesigneerde en gedateerde schilderij van Bruegel, de Combat van Carnaval en Vastenavond (1559), is de invloed van Bosch nog steeds sterk voelbaar. Het hooggeplaatste landschap, het decoratieve vlakpatroon en veel van de iconografische details zijn afkomstig van de vroegere Hollandse meester. Er is echter een nieuwe gevoeligheid voor kleur, met name in het gebruik van heldere, primaire tinten, en een ritmische organisatie van vormen die uniek is voor Bruegel. Dit schilderij, de Nederlandse Spreuken (1559), en de zeer betrokken Kinderspelen (1560) vormen het lichaam van de vroege “encyclopedische” werken die, ondanks hun oppervlakkige vrolijkheid, allegorieën van een dwaze en zondige wereld blijken te zijn.

Ook de twee meest fantasmagorische werken van Bruegel, de Dulle Griet en de Triumph of Death (beide waarschijnlijk uitgevoerd in 1562), zijn qua conceptie verwant aan de encyclopedische schilderijen. De Dulle Griet is stilistisch nog steeds verwant aan Bosch, maar in tegenstelling tot de werken van die schilder is het niet zozeer bedoeld als een morele preek tegen de verdorvenheid van de wereld, maar als een erkenning van het bestaan van het kwaad in de wereld. Dit vermogen om het kwaad als onafscheidelijk van de menselijke conditie te zien, gaat over in de Triumph of Death, die ook is geïnterpreteerd als een verwijzing naar het uitbreken van religieuze vervolgingen in Nederland ten tijde van die tijd.

De laatste van Bruegel’s grote “figuratieve anthologieën” is de Toren van Babel (1563). Bedoeld om de zinloosheid van de menselijke ambitie te symboliseren en misschien meer specifiek om de geest van de commercialiteit die toen in Antwerpen heerste te bekritiseren, bevat het paneel ook een nieuw panoramisch uitzicht op een uitgestrekte wereld. Dit nieuwe wereldbeeld, dat slechts in verregaande mate verband houdt met de kosmische landschappen van Bosch, moest de meeste van de latere werken van de kunstenaar informeren.

Volwassen stijl

Wat zijn redenen ook zijn om Antwerpen te verlaten, Bruegel nam in 1563 zijn intrek in Brussel, waar hij zou blijven tot zijn dood in 1569. Zijn reputatie als een van de grootste van alle Nederlandse schilders is vooral gebaseerd op de werken van deze korte maar zeer productieve periode.

De Road to Calvary (1564) luidt deze fase in, waarin de mens steeds meer ondergeschikt wordt gemaakt aan de ritmes en patronen van de natuur. Een lagere horizon en een nieuw gevoel voor atmosferisch perspectief zijn belangrijke stijlkenmerken van dit paneel, dat een van de weinige overgebleven religieuze werken in Bruegel’s oeuvre is.

In 1565 kreeg Bruegel de opdracht een serie foto’s van de maanden uit te voeren voor Niclaes Jonghelinck van Antwerpen. Gebaseerd op het middeleeuwse idee van het werk van de seizoenen zoals dat bijvoorbeeld in de beeldhouwkunst van de kathedraal of de verlichtingen van laatgotische uurboeken te zien is, vormt Bruegel’s serie een prachtig hoogtepunt van deze traditie. Van de oorspronkelijke groep zijn vijf schilderijen bewaard gebleven. De Tolnay (1935) heeft zeer aannemelijk gesuggereerd dat elk paneel de activiteiten van 2 maanden heeft verbeeld, zodat alleen het schilderij voor april en mei verloren is gegaan.

In deze prachtig geconcipieerde en uitgevoerde panelen heeft Bruegel een moment van resolutie bereikt van de eerder bestaande dualiteit tussen mens en natuur. Het centrale thema van de cyclus is dat de mens, als hij de orde van de natuur volgt, de dwaasheid kan vermijden waarvoor hij anders bestemd is. De rol van de mens wordt verbeeld door boeren— anonieme symbolen van de mensheid—die dicht bij de grond leven en werken in een staat van weldadige eenheid met de natuur.

De maanden december en januari worden vertegenwoordigd door de Jagers in de Sneeuw. Een werk van grote compositorische eenheid, het toont aan dat de activiteiten van de mensen, om goed te zijn, moeten voldoen aan de seizoensgebonden patronen van de natuur.

De Dark Day en de Hay Harvest verbeelden het werk van respectievelijk februari-maart en juni-juli. In beide panelen domineren brede panoramische landschappen zowel visueel als inhoudelijk de zaken van de mens, die opnieuw in overeenstemming zijn met de wil van de natuur.

De maanden augustus en september worden geportretteerd door de goudkleurige Wheat Harvest, een van de meest lyrische panelen in de serie. Hier bereikt Bruegel een grotere mate van ruimtelijke en figuurlijke integratie dan in de vorige schilderijen, evenals verhoogde atmosferische effecten.

Het meest briljante paneel in de serie is de Return of the Herd, die oktober en november vertegenwoordigt. Een prachtige compositie, geordend volgens een opeenvolging van elkaar kruisende diagonale bewegingen, roept dit schilderij met een ongeëvenaarde actualiteit de omvang en de grootsheid van de natuurlijke wereld op.

Door de opvallende schoonheid en originaliteit van deze seizoensfoto’s heeft Bruegel een nieuwe samenhang in de relatie tussen de mens en het natuurlijke schema tot stand gebracht. Door de gevestigde orde en hiërarchie van de middeleeuwse en renaissance kosmologieën af te gieten, verving hij een visie op een dynamisch

evoluerende wereld die fundamenteel modern is in zijn conceptie.

Van Mander vond Bruegel’s Massacre of the Innocents (ca. 1566) een kritiek op de toenemende wreedheden van de Spaanse Inquisitie in Nederland. Gezien het bewuste gebruik dat de kunstenaar maakte van het decor van een hedendaags Vlaams dorp om de gebeurtenissen in scène te zetten, is deze opvatting door de meest recente autoriteiten geaccepteerd. Vergelijkbaar in conceptie, hoewel verschillend van geest, is de Nummering in Bethlehem (1566). In dit geval echter, contemporteert Bruegel de religieuze gebeurtenissen om de variëteit van het plattelandsleven in een winterse omgeving te onderzoeken. Ook hier is het religieuze thema op zijn best een voorwendsel voor Bruegel’s in principe seculiere kunst.

Late Style

De Peasant Dance (ca. 1566-1567) vertegenwoordigt een nieuwe en belangrijke richting die Bruegel in de laatste jaren van zijn carrière zou inslaan. In dit werk veranderde de schilder naar een “groot-cijferige” stijl waarin zeer geanimeerde boeren georganiseerd zijn om de ritmes en patronen van de dans over te brengen. Door de vormen terug te brengen tot hun elementaire essenties bereikte Bruegel ook een helderheid in vormgeving en kleurstelling die in de westerse schilderkunst zelden werd geëvenaard.

Op hetzelfde moment dat Bruegel een van zijn beroemdste en meest geliefde werken voltooide, het Peasant Wedding Feast. Ontworpen in een geest van sympathie en genegenheid voor de plattelandsbevolking, onthult dit paneel het heerlijke koddige gevoel voor humor van de kunstenaar en zijn genialiteit in het universeel maken van zelfs de meest triviale gebeurtenissen.

Een van Bruegel’s meest bizarre werken is het Land van Luilekkerland (1567). De compositie bestaat voornamelijk uit drie liggende figuren—een ridder, een boer en een burgher—waarvan de vormen vanuit het centrum van het beeld naar buiten stralen en bedoeld zijn om een gevoel van misselijkheid en ontwrichting bij de toeschouwer teweeg te brengen. In dit verband is ook opgemerkt dat het gesofisticeerde apparaat van het kantelen van het grondvlak en alle andere elementen van het ontwerp een aspect is van de maniëristische invloed op Bruegel’s kunst.

De Parabel van de Blinde illustreert het vers uit Matteüs (14:14): “Als de blinde de blinde leidt, zullen beiden in de sloot vallen.” In dit grote werk wordt de dalende diagonaal, gevormd door de figuren van de blinden, verlevendigd en geactiveerd door het gebruik van kleur, sterke tinten voor de voorgrond en koelere tinten naar achteren. Een andere ontwikkeling van deze periode is een verhoogd gevoel voor sfeer, waarbij het landschap een van de meest dampende in Bruegel’s oeuvre is.

Deze zeer gevoelige landschapsstijl draagt bij aan wat waarschijnlijk het laatste werk van de schilder is, de Magpie op de galg, een paneel dat, volgens Van Mander, Bruegel aan zijn vrouw heeft gewild. De schijnbare overeenstemming tussen de boer en zijn natuurlijke omgeving, een van de belangrijkste uitgangspunten van Bruegel’s kunst, wordt vreemd genoeg aangetast door de aanwezigheid van een galg in het centrum van de compositie. Het is een opvallend contrast met de schoonheid van de omgeving en herinnert op een grimmige manier aan de menselijke basisconditie. Welke interpretatie er ook op dit paneel wordt geplaatst, Bruegel’s schilderij vat alles samen wat er voordien gebeurde en staat op de drempel van de moderne tijd. In zijn tijdloze geldigheid vindt Bruegel’s kunst geen concurrent voor Rembrandt.

De meester kan zich hebben afgebeeld in een tekening (ca. 1567) getiteld De kunstenaar en de kenner, die twee halflange figuren afbeeldt: een cynische en verbitterde schilder aan het werk en een onooglijke, onkritische toeschouwer. De eerste, waarschijnlijk een zelfportret, doet geen moeite om zijn minachting voor de tweede te verhullen, wiens opvallende geldbuidel zijn filistijnse karakter onthult.

Bruegel’s invloed

Bruegel’s erfenis werd het meest direct overgedragen via zijn twee schilderzonen: Pieter de Jonge (1564-1638) en Jan (1568-1625). Tot ver in de 17de eeuw waren echter bijna alle Vlaamse schilders, waaronder Peter Paul Rubens, schatplichtig aan Bruegel’s visie op het landschap.

Verder lezen op Pieter Bruegel de Oude

Het meest gezaghebbende boek in het Engels over Bruegel is Fritz Grossmann, Bruegel: De schilderijen (1955). Het bevat een uitputtend verslag van het leven en de werken van de kunstenaar en een doordachte interpretatie van de betekenis van de schilderijen. Een briljant, maar controversieel essay over Bruegel’s kunst en haar relatie tot de gedachte aan de periode staat in Charles de Tolnay, The Drawings of Pieter Bruegel, the Elder, with a Critical Catalogue (1935; trans. 1952). Voor informatie over de gegraveerde werken zie H. Arthur Klein, red., Grafische werken van Pieter Bruegel de Oude (1963). Nuttige algemene overzichten zijn Robert L. Delevoy, Bruegel: Historische en kritische studie (1954; trans. 1959), en het uitstekende essay in Charles D. Cuttler, Northern Painting: Van Pucelle tot Bruegel (1968).


GOSTOU? PARTILHE COM OS SEUS AMIGOS!