Picasso-feiten


De Spaanse schilder, beeldhouwer en graficus Pablo Picasso (1881-1973) was een van de meest wonderbaarlijke en revolutionaire kunstenaars in de geschiedenis van de westerse schilderkunst. Als centrale figuur in de ontwikkeling van het kubisme legde hij de basis voor de abstracte kunst.

Pablo Picasso werd geboren Pablo Blasco op 25 oktober 1881 in Malaga, Spanje, waar zijn vader, José Ruiz Blasco, professor was in de School voor Kunst en Ambacht. Pablo’s moeder was Maria Picasso en de kunstenaar gebruikte haar achternaam vanaf ongeveer 1901. In 1891 verhuisde het gezin naar La Coruña, waar Picasso op 14-jarige leeftijd begon te studeren aan de School voor Schone Kunsten. Onder de academische leiding van zijn vader ontwikkelde hij zijn artistieke talent tegen een buitengewoon tempo.

Toen de familie in 1896 naar Barcelona verhuisde, kreeg Picasso gemakkelijk toegang tot de School voor Schone Kunsten. Een jaar later werd hij als gevorderde student toegelaten tot de Koninklijke Academie van San Fernando in Madrid; hij toonde zijn opmerkelijke bekwaamheid door in één dag een toelatingsexamen af te leggen waarvoor een hele maand was toegestaan.

Maar Picasso vond de sfeer op de academie verstikkend en keerde al snel terug naar Barcelona, waar hij in zijn eentje historische en hedendaagse kunst ging studeren. In die tijd was Barcelona het meest vitale culturele centrum van Spanje, en Picasso sloot zich al snel aan bij de groep dichters, schilders en schrijvers die zich verzamelden in het beroemde café Quatre Gats.

In 1900 bracht Picasso zijn eerste bezoek aan Parijs, waar hij drie maanden verbleef. In 1901 maakte hij een tweede reis naar Parijs en Ambroise Vollard gaf hem zijn eerste solotentoonstelling. Hoewel de tentoonstelling financieel niet succesvol was, wekte ze wel de interesse van de schrijver Max Jacob, die later een van Picasso’s beste vrienden en aanhangers werd. De volgende drie jaar verbleef Picasso afwisselend in Parijs en Barcelona.

Eerste werkt

Aan het begin van de eeuw was Parijs het centrum van de internationale kunstwereld. Het had in de schilderkunst meesters als Georges Seurat, Claude Monet, Paul Cézanne, Vincent Van Gogh en Henri de Toulouse-Lautrec voortgebracht. Elk van deze kunstenaars beoefende geavanceerde, radicale stijlen. Ondanks duidelijke stijlverschillen lag hun gemeenschappelijke noemer in het op de proef stellen van de grenzen van de traditionele representatie. Hoewel hun werken bepaalde banden met de zichtbare wereld behielden, vertoonden ze een uitgesproken neiging tot vlakheid en abstractie. In feite impliceerden ze dat de schilderkunst niet gebaseerd hoeft te zijn op de waarden van het illusionisme van de Renaissance.

Picasso ontstond binnen deze gecompliceerde en onzekere artistieke situatie in 1904 toen hij een permanent atelier oprichtte

in een oud gebouw genaamd Bateau Lavoir. Daar maakte hij enkele van zijn meest revolutionaire werken, en het atelier werd al snel een verzamelplaats voor de voorhoede kunstenaars, schrijvers en mecenassen van de stad. Deze groep bestond uit de schilder Juan Gris, de schrijver Guillaume Apollinaire en de Amerikaanse verzamelaars Leo en Gertrude Stein.

Picasso’s vroege werk laat een creatief patroon zien dat gedurende zijn lange carrière heeft standgehouden. Tussen 1900 en 1906 werkte hij in bijna alle belangrijke stijlen van de hedendaagse schilderkunst, van het impressionisme tot de Art Nouveau. Daarbij veranderde zijn eigen werk met een ongekende snelheid en onthulde hij een spectrum van gevoelens die buiten de grenzen van één mens lijken te liggen. Op zich was deze prestatie een teken van Picasso’s genialiteit.

De Moulin de la Galette (1900), het eerste schilderij dat Picasso in Parijs maakte, toont een scène van de stedelijke cafégemeenschap. Met zijn scherpe kleuren en scherpe, hoekige figuren straalt het werk een sinistere, ongemakkelijke uitstraling uit. De rauwheid van de gevoeligheid, hoewel niet de oppervlakkige stijl, is kenmerkend voor veel van zijn vroegste werken.

Blauwe en roze periodes

De jaren tussen 1901 en 1904 stonden bekend als Picasso’s Blauwe Periode, waarin bijna al zijn werken in sombere tinten blauw werden uitgevoerd en magere, neerslachtige en in zichzelf gekeerde figuren bevatten. De doordringende toon van de beelden is er een van depressie; hun kleur staat symbool voor de persoonlijke ontberingen van de kunstenaar in de eerste jaren van de eeuw—jaren waarin hij af en toe zijn eigen tekeningen verbrandde om warm te blijven—en ook voor het leed dat hij in zijn maatschappij heeft meegemaakt. Twee uitstekende voorbeelden van deze periode zijn de Old Gitarist (1903) en Life (1903).

In de tweede helft van 1904 gaf Picasso’s stijl een nieuwe richting aan. Ongeveer een jaar lang werkte hij aan een serie foto’s met harlekijnen, acrobaten en andere circusartiesten. Het meest gevierde voorbeeld is de Familie van Saltimbanques (1905). Het gevoel, maar ook het onderwerp, is hier verschoven. De broeierige depressie van de Blauwe Periode heeft plaatsgemaakt voor een rustige en niet storende melancholie, en de kleur is natuurlijker, delicater en teder geworden in zijn gamma, met een prevalentie van roodachtige en roze tinten. Zo werd deze periode zijn Roze Periode genoemd.

In termen van ruimte was Picasso’s werk tussen 1900 en 1905 over het algemeen vlak, wat het tweedimensionale karakter van het schildersoppervlak benadrukt. Eind 1905 raakte hij echter steeds meer geïnteresseerd in het beeldvolume. Deze interesse lijkt te zijn aangewakkerd door de late schilderijen van Cézanne, waarvan er tien werden getoond in de Salon d’Automne van 1905. In Picasso’s Boy Leading a Horse (1905) en Woman with Loaves (1906) zijn de figuren krachtig gemodelleerd, wat een sterke indruk geeft van hun gewicht en driedimensionaliteit. Dezelfde interesse is terug te vinden in het beroemde Portret van Gertrude Stein (1906), met name in het massieve lichaam van de figuur. Maar het gezicht van de oppas verraadt nog een andere nieuwe interesse: de maskerachtige abstractie is geïnspireerd op de Iberische beeldhouwkunst, waarvan Picasso in het voorjaar van 1906 in het Louvre had gezien. Deze invloed kwam een jaar later tot uiting in een van de meest revolutionaire beelden van Picasso’s hele carrière, Les Demoiselles d’Avignon (1907).

Picasso en kubisme

Les Demoiselles d’Avignon wordt algemeen beschouwd als het eerste kubistische schilderij. Onder invloed van Cézanne, de Iberische beeldhouwkunst en de Afrikaanse beeldhouwkunst (die Picasso in 1907 voor het eerst in Parijs zag) lanceerde de kunstenaar een beeldstijl die radicaler was dan alles wat hij tot dan toe had geproduceerd. De menselijke figuren en hun omgeving worden gereduceerd tot een reeks brede, elkaar kruisende vlakken die zich op één lijn stellen met het beeldvlak en een meervoudig, ontleed beeld van de zichtbare wereld impliceren. De gezichten van de figuren worden gelijktijdig gezien vanuit frontale en profielposities, en hun lichamen worden eveneens gedwongen zich te onderwerpen aan Picasso’s nieuwe en radicaal abstracte beeldtaal.

Paradoxaal genoeg werd Les Demoiselles d’Avignon pas in 1937 in het openbaar tentoongesteld. Zeer waarschijnlijk was het beeld even problematisch voor Picasso als voor zijn vriendenkring en collega-kunstenaars, die geschokt waren toen ze het in zijn atelier in Bateau Lavoir bekeken. Zelfs Georges Braque, die in 1908 Picasso’s naaste collega in de kubistische onderneming was geworden, zei in eerste instantie dat “schilderen op zo’n manier net zo erg was als benzine drinken in de hoop vuur te spuwen”. Desalniettemin ging Picasso onophoudelijk door met de implicaties van zijn eigen revolutionaire uitvinding. Tussen 1907 en 1911 bleef hij de zichtbare wereld ontleden in steeds kleinere facetten van monochrome vlakken van de ruimte. Hierdoor werden zijn werken steeds abstracter, dat wil zeggen dat de voorstelling geleidelijk aan uit het schildermedium verdween.

werd dienovereenkomstig een doel op zich—voor het eerst in de geschiedenis van de westerse kunst.

De evolutie van dit proces is zichtbaar in al het werk van Picasso tussen 1907 en 1911. Enkele van de meest opvallende picturale voorbeelden van de ontwikkeling zijn Fruit Dish (1909), Portret van Ambroise Vollard (1910), en Ma Jolie (ook bekend als Vrouw met een gitaar, 1911-1912).

Cubist Collages

Over 1911 begonnen Picasso en Braque brieven en stukjes krant in hun kubistische schilderijen te introduceren en zo een geheel nieuw medium, de kubistische collage, in het leven te roepen. Picasso’s eerste, en waarschijnlijk zijn meest gevierde, collage is Still Life with Chair Caning (1911-1912). De ovale compositie combineert een kubistische analyse van een citroen en een wijnglas, brieven uit de literatuurwereld, en een stuk oliedoek dat een gedeelte van een stoelstokje imiteert; ten slotte wordt het ingelijst met een stuk echt touw. Zoals Alfred Barr schreef (1946): “Hier dan, in één beeld, jongleert Picasso met realiteit en abstractie in twee media en op vier verschillende niveaus of ratio’s. Als we stoppen met nadenken over wat het meest ‘echt’ is, gaan we over van esthetische naar metafysische speculatie. Want wat het meest reëel lijkt, is hier het meest vals en wat ver van de alledaagse werkelijkheid lijkt, is misschien wel het meest reëel omdat het op zijn minst een nabootsing is”

.

Synthetische kubistische fase

Na zijn experimenten in het nieuwe medium collage keerde Picasso intensiever terug naar de schilderkunst. Zijn werk tussen 1912 en 1921 wordt algemeen beschouwd als de synthetische fase van de kubistische ontwikkeling. Het meesterwerk van deze stijl is de Drie Muzikanten (1921). In dit schilderij gebruikte Picasso de platte vlakken van zijn vroegere stijl om een indruk van de zichtbare wereld te reconstrueren. De vlakken zelf waren breder en eenvoudiger geworden en ze maakten veel meer gebruik van kleur dan het werk uit 1907-1911. In zijn rijkdom aan gevoel en balans van formele elementen vertegenwoordigt de Drie Muzikanten een klassieke uitdrukking van het kubisme.

Aanvullende prestaties

De uitvinding van het kubisme is de belangrijkste prestatie van Picasso in de geschiedenis van de 20e eeuwse kunst. Toch bleven zijn activiteiten als kunstenaar niet beperkt tot dit alleen. Al in het eerste decennium van de eeuw hield hij zich bezig met zowel de beeldhouwkunst als de prentkunst, twee media die hij gedurende zijn lange carrière bleef beoefenen en waaraan hij talrijke belangrijke bijdragen leverde. Bovendien werkte hij regelmatig in de keramiek en in de omgeving van het theater: in 1917 ontwierp hij decors voor het Eric Satie en Jean Cocteau ballet Parade; in 1920 schetste hij een theaterinterieur voor Igor Stravinsky’s Pulcinella; en in 1924 ontwierp hij een gordijn voor de opvoering van Le Train Bleu door Jean Cocteau en Darius Milhaud. Kortom, het bereik van zijn activiteiten overtrof dat van elke kunstenaar die in de moderne periode werkte.

In de schilderkunst is zelfs de ontwikkeling van het kubisme niet bepalend voor Picasso’s genialiteit. Rond 1915, en opnieuw in het begin van de jaren twintig, keerde hij zich af van de abstractie en maakte hij tekeningen en schilderijen in een realistische en serene mooie klassieke idioom. Een van de bekendste van deze werken is de Woman in White (1923). Geschilderd slechts twee jaar na de Drie Muzikanten, getuigt de rustige en onopvallende elegantie van dit meesterwerk van het gemak waarmee Picasso zich kon uitdrukken in beeldtalen die elkaar op het eerste gezicht lijken uit te sluiten.

In de late jaren twintig en het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw had het surrealisme het kubisme als voorhoede van de Europese schilderkunst in veel opzichten overschaduwd. De beweging, die in 1924 door André Breton in Parijs werd gelanceerd, was niet een beweging waaraan Picasso ooit een “officiële” bijdrage leverde op het gebied van groepstentoonstellingen of het ondertekenen van manifesten. Maar zijn werk in deze jaren getuigt van een groot aantal houdingen in sympathie voor de surrealistische gevoeligheid. Zo gebruikte hij in zijn beroemde Girl before a Mirror (1932) de kleurrijke vlakken van het synthetische kubisme om de relatie tussen het beeld van een jonge vrouw en haar zelfbeeld te onderzoeken voor een conventioneel ogend glas. Terwijl de configuraties verschuiven tussen de figuur en het spiegelbeeld, onthullen ze de complexiteit van de emotionele en psychologische energieën die de overhand hebben aan de donkere kant van de menselijke ervaring.

Guernica

Een ander van Picasso’s meest gevierde schilderijen uit de jaren dertig is Guernica (1937). Barr beschreef de situatie waarin het werd geconcipieerd: “Op 28 april 1937 werd de Baskische stad Guernica naar verluidt vernietigd door Duitse bombardementsvliegtuigen die voor generaal Franco vlogen. Picasso, reeds een actieve partij van de Spaanse Republiek, kwam vrijwel onmiddellijk in actie. Hij had in januari de opdracht gekregen om een muurschildering te maken voor het Spaanse regeringsgebouw op de wereldtentoonstelling in Parijs; maar hij begon pas op 1 mei te werken, slechts twee dagen na het nieuws van de catastrofe”. De diepe gevoelens van de kunstenaar over het werk, en over het bloedbad dat het inspireerde, komen tot uiting in het feit dat hij het werk, dat meer dan 25 voet breed en 11 voet hoog is, binnen zes of zeven weken voltooide.

Guernica is een buitengewoon monument binnen de geschiedenis van de moderne kunst. Het is volledig uitgevoerd in zwart, wit en grijs en projecteert een beeld van pijn, lijden en wreedheid dat weinig parallellen heeft met de geavanceerde schilderijen van de 20e eeuw. Geen enkele kunstenaar, behalve Picasso, was in staat om op overtuigende wijze de beeldtaal van het kubisme toe te passen op een onderwerp dat rechtstreeks voortkomt uit het sociale en politieke bewustzijn. Dat hij de abstractionistische tendens zo openlijk kon aanvechten dat hij er persoonlijk mee begon is slechts een ander kenmerk van zijn uniciteit.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Picasso opgericht als een van de oude meesters van de moderne kunst. Maar zijn werk heeft nooit stilgestaan. In de jaren vijftig en zestig wijdde hij zijn energie aan andere Oude Meesters en maakte hij schilderijen gebaseerd op de meesterwerken van Nicolas Poussin en Diego Velázquez. Voor veel critici en historici zijn deze recente werken niet zo ambitieus als Picasso’s eerdere producties.

Picasso Politiek

Picasso kwam na de oorlog ook publiekelijk naar buiten als communist. Toen hem in 1947 werd gevraagd waarom hij communist was, verklaarde hij dat “Toen ik een jongen was in Spanje, was ik zeer

arme en zich bewust van hoe arme mensen moesten leven. Ik heb geleerd dat de communisten voor de armen waren. Dat was genoeg om te weten. Dus werd ik voor de communisten.”

Soms was de communistische zaak niet zo enthousiast over Picasso als Picasso over het feit dat hij communist was. Een portret dat hij in 1953 schilderde van Jozef Stalin, de toen pas overleden Sovjetleider, zorgde voor ophef onder de leiding van de partij. De Sovjetregering verbande zijn werken uit hun land, nadat ze waren opgesloten in de kelder van het Hermitage Museum in Sint-Petersburg. Picasso bleek hier geamuseerd over te zijn en ging ongekunsteld verder.

Alhoewel Picasso sinds de overwinning van Generalissimo Francisco Franco in 1939 in ballingschap was, gaf hij 800 tot 900 van zijn vroegste werken aan de stad en de bevolking van Barcelona. Van zijn kant werden Franco’s gevoelens over Picasso beantwoord. In 1963 had Picasso’s vriend Jaime Sabartés 400 van zijn Picasso-werken aan Barcelona geschonken. Om deze werken te tonen werd het Palacio Aguilar omgedoopt tot het Picasso-museum en werden de werken naar binnen verplaatst. Maar vanwege Franco’s afkeer van Picasso is Picasso’s naam nooit op het museum verschenen.

Picasso is twee keer getrouwd geweest, eerst met danseres Olga Khoklova en daarna met Jacqueline Roque. Hij kreeg vier kinderen, één uit zijn huwelijk met Choklova en drie van minnaressen. Picasso hield zich zijn hele leven bezig en plande een tentoonstelling van 201 van zijn werken op het Avignon Arts Festival in Frankrijk toen hij stierf.

Picasso stierf op 8 april 1973 in zijn 35 kamers tellende villa op de heuveltop van Notre Dame de Vie in Mougins, Frankrijk. Hij werd herinnerd als een kunstenaar die, gedurende zijn hele leven, op onvoorspelbare wijze van de ene naar de andere beeldmodus verschoof. Hij stelde een opmerkelijk genie tentoon voor beeldhouwkunst, grafiek en keramiek, maar ook voor de schilderkunst. Door de grote verscheidenheid van zijn prestaties, om nog maar te zwijgen van de kwaliteit en de invloed ervan, was hij een van de meest gevierde kunstenaars van de moderne periode.

Verder lezen op Pablo Picasso

Door zijn lange leven en onophoudelijke productie heeft Picasso zich laten inspireren door tal van boeken. De klassieke monografie, die niemand die geïnteresseerd is in de meester over het hoofd kan zien, is Alfred H. Barr, Jr., Picasso: Fifty Years of His Art (1946). De beginjaren van Picasso worden besproken in Gertrude Stein, Picasso (1938); Anthony Blunt en Phoebe Pool, Picasso: The Formative Years (1962); Fernande Olivier, Picasso en zijn vrienden (1965); en Pierre Daix en anderen, Picasso: The Blue and Rose Periods vertaald door Phoebe Pool (1967). De latere jaren van Picasso zijn gedocumenteerd in Roberto Otero Forever Picasso: An Intimate Look At His Last Years (1974). Voor een algemeen overzicht zie Roland Penrose, Portret van Picasso (1957) en Picasso: His Life and Work (1958). In Wilhelm Boeck en Jaimé Sabartes, Picasso (1955) wordt een doordachte interpretatie gegeven van de thema’s en belangrijkste stijlen van de meester. Picasso’s overlijdensbericht is te vinden in de New York Times (8 april 1973).

De meest complete catalogus van Picasso’s werk, C. Zervos, Pablo Picasso: Oeuvres (21 vol., 1942-1969), is in het Frans. Gespecialiseerde studies zijn onder andere Los Angeles County Museum of Art, Picasso: Sixty Years of Graphic Works (1967), en Roland Penrose, The Sculpture of Picasso (1967). Zie Robert Rosenblum, Cubisme en Twentieth-Century Art (1960; red. 1966), en Edward F. Fry, Cubisme (1966) voor een uitgebreid overzicht van het kubisme.


GOSTOU? PARTILHE COM OS SEUS AMIGOS!