Paula Modersohn-Becker Feiten


Paula Modersohn-Becker (1876-1907) was de eerste Duitse schilderes die de postimpressionistische stromingen die ze in Parijs voor zichzelf ontdekte, assimileerde en een zeer persoonlijke stijl creëerde, waarbij ze enkele onbetwiste meesterwerken creëerde tijdens haar korte carrière.

Paula Becker werd op 8 februari 1876 geboren in een beschaafd burgerlijk gezin in Dresden dat in 1888 naar Bremen verhuisde. Haar vader, een regeringsambtenaar van de spoorwegen die met vervroegd pensioen is en zich zorgen maakt over de financiële zekerheid van zijn zes kinderen, staat erop dat de jonge Paula een tweejarige lerarenopleiding afrondt voordat ze aan de school voor vrouwelijke kunstenaars in Berlijn mag gaan studeren. In september 1898 vestigde ze zich in de nabijgelegen kunstenaarskolonie Worpswede om te werken met de beroemde figuurschilder Fritz Mackensen. De Worpswede boerenvrouwen, vaak met hun baby’s, en de oude vrouwen en kinderen uit het arme huis werden haar favoriete modellen, en ze legde het schilderachtige landschap, de donkere heide en stormachtige luchten, velden met rieten huisjes, bossen met slanke berkenbomen, en kanalen voor het vervoer van veenmos naar Bremen vast.

Maar ze keek al snel verder dan Worpswede naar Parijs. Ze ging er van januari tot juni 1900 heen, studeerde aan de Académie Colarossi, bezocht het Louvre-museum en zag nieuwe kunst die werd getoond door handelaars en op de Internationale Tentoonstelling. Zelfs na haar huwelijk in mei 1901 met de Worpswedese landschapsarchitect Otto Modersohn— onlangs weduwe en met een jonge dochter— ze ontsnapte weer naar Parijs voor vijf weken in het voorjaar van 1903 en twee maanden in februari-april 1905, en studeert nu aan de Académie Julian. In februari 1906 verliet ze haar man om zich uitsluitend aan de kunst te wijden, maar hij volgde haar naar Parijs en haalde haar over om in maart 1907 terug te keren naar het huwelijksleven in Worpswede. Op 2 november 1907 bevalt ze van hun dochter Tille; op 20 november 1907 sterft ze aan een embolie en een hartaanval. Ze was 31 jaar oud.

Modersohn-Becker produceerde tijdens haar korte carrière zo’n 1000 tekeningen en 400 schilderijen en documenteerde haar gedachten en ervaringen in haar tijdschriften en uitgebreide correspondentie. Haar vroegste werk onthult haar artistieke begin in het Worpswede naturalisme, maar ze herkende al snel de beperkingen ervan. Haar leraar Mackensen was te veel gericht op het verleden, te “conventioneel” (brief van begin mei 1900); zijn werk was “niet breed genoeg … te genre-achtig” (1 december 1902). In haar dagboek verduidelijkte ze haar artistieke doel: “streven naar de grootste eenvoud samen met de meest intieme observatie” en “grootsheid bereiken door eenvoud”. De meesterwerken in het Louvre, die ze vaak schetste, werden haar beste leermeesters, en vervolgens de post-impressionistische meesters: Vincent van Gogh, Paul Cézanne, en Paul Gauguin, wiens vernieuwingen ze heeft opgeslorpt en getransformeerd in haar persoonlijke stijl.

Ze had in maart 1905 de retrospectieve van Gogh bezocht, en we kunnen de impact van zijn rijke kleurenharmonieën en nadrukkelijke contouren herkennen in haar meesterlijke schilderij Old Peasant Woman Praying—haar ene grote schilderij in een Amerikaans museum, in Detroit. De oude vrouw, met verweerde gele huid tegen lichtgevend groen gebladerte, wordt met respect en sympathie afgebeeld, op geen enkele manier geromantiseerd of sentimenteel. Cézanne had ze al in 1900 ontdekt in de kunstgalerie van Vollard, maar zijn invloed komt het duidelijkst naar voren in enkele prachtige stillevens uit 1905 en 1906, en in de vereenvoudigde kleurvlakken van haar late figuurstudies.

Ze vermeldt Gauguin in brieven van 1905 en bezocht zeker zijn herdenkingstentoonstelling in het najaar van 1906. De diepe, exotische kleuren van Zelfportret met Camellia-tak zijn wellicht aan Gauguin te danken. De hiëratische frontaliteit en het mysterieuze gevoel van wereldvreemdheid zijn ook afgeleid van laat-Klassieke, Koptische mummieportretten die ze in musea bewonderde en in een hoeveelheid reproducties die ze voor haar eenendertigste verjaardag kreeg. Ze schilderde nog vele andere gedenkwaardige zelfportretten. Nadat ze zichzelf op haar dertigste “iets” had beloofd, markeerde ze die mijlpaal met een uniek en gedurfd zelfportret dat ze op haar huwelijksverjaardag in 1906 schilderde. Ze staat er half naakt en alsof ze zwanger is en#8212; de traditionele rol die ze had opgegeven (of alleen maar uitgesteld) om haar artistieke zelf te koesteren. In een ander laat zelfportret dat in twee versies bestaat, in Bremen en Basel, verschijnt ze weer half naakt tegen een bladrijke achtergrond en met bloemen in haar haar, zoals de Tahitiaanse vrouwen van Gauguin’s natuurlijke paradijs en het beeld zelf van jeugdige vitaliteit en creativiteit.

We kunnen ook de stilistische groei van Modersohn-Becker volgen in een ander thema waarvoor ze bekend en bewonderd is, dat van moeder en kind. Haar vroege materniteiten van 1903 en 1904 zijn realistisch in de Worpswede traditie, hoewel ze vereenvoudigd en al op een bredere manier geschilderd zijn. In 1906 vond ze in Parijs een Italiaans model met een zuigeling die poseerde voor enkele van haar grootste schilderijen: een prachtige Reclining Mother and Child, naakt op de grond liggend en beschermend gekruld rond haar baby, of de Knielende Moeder en Kind, die een oude vruchtbaarheidsgodin suggereert. Zoals veel van haar kunst zijn het dwingende beelden van zowel persoonlijke als universele betekenissen. Veel van deze schilderijen zijn te zien in het Bremer museum dat aan haar werk is gewijd, het Paula Becker-Modersohn Haus (Collectie Ludwig Roselius).

Modersohn-Becker was een uitzonderlijke jonge vrouw die zich, ondanks de druk van familie en vrienden, aan de kunst wilde wijden in plaats van aan de conventionele huiselijkheid. Ze werkte alleen, zich niet bewust van het begin van het Duitse expressionisme in Dresden, München en Berlijn—hoewel ze beschouwd wordt als een voorloper van die beweging. Bovendien verschilde ze van veel van deze bijna-tegenstanders en hun agressieve emotionaliteit door haar grotere nadruk op formele waarden. Na de lessen van het Post-Impressionisme te hebben opgeslorpt, heeft ze haar picturale ruimte of gestructureerde Cézannesque kleurvlakken afgevlakt tot modernistische stijlen die parallel lopen aan of zelfs anticiperen op Picasso’s primitivisme en de eerste Cabistische experimenten van 1906 tot 1908.

Verder lezen over Paula Modersohn-Becker

Het beste boek over de kunstenaar is een van haar eigen geschriften, eindelijk beschikbaar in het Engels: Paula Modersohn-Becker: The Letters and Journals (1983) vertaald door Arthur S. Wensinger en Carole Clew Hoey uit de nieuwe en uitgebreide Duitse uitgave (1979) samengesteld door Günter Busch en Liselotte von Reinken. Een kortere versie, The Letters and Journals of Paula Modersohn-Becker (1980), vertaald door J. Diane Radycki uit de onvolledige Duitse editie van 1925, is ook beschikbaar. Beide hebben nuttige voorwoorden en aantekeningen. Gillian Perry heeft een goed gedocumenteerde biografie geschreven (met 25 kleurplaten van ongelijke kwaliteit), Paula Modersohn-Becker: Her Life and Work (1979). De drie boeken worden besproken in Woman’s Art Journal, herfst 1981/winter 1982 en herfst 1984/winter 1985. Voor algemene achtergrond, zie de tentoonstellingscatalogi Expressionisme: A German Intuition, 1905-1920 (1980) en Woman Artists: 1550-1950 (1976) van Ann Sutherland Harris en Linda Nochlin.

Extra Biografiebronnen

Perry, Gillian, Paula Modersohn-Becker, haar leven en werk, Londen: Women’s Press, 1979.


GOSTOU? PARTILHE COM OS SEUS AMIGOS!