Paul Ricoeur Feiten


Paul Ricoeur (geboren in 1913) was een toonaangevende exponent van de hermeneutische filosofie. Hij ontwikkelde een theorie van metafoor en discours en verwoordde een uitgebreide visie op de relatie tussen tijd, geschiedenis en verhaal. Ricoeur’s werk beïnvloedde de wetenschap in vrijwel alle menswetenschappen.

Paul Ricoeur is geboren op 27 februari 1913 in Valence, Frankrijk, als zoon van Jules en Florentijnse Favre Ricoeur. Hij was getrouwd met Simone Lejas in 1935 en had vijf kinderen. Zijn opleiding omvatte een Licenciée‧s Lettres van de Universiteit van Rennes (1932), Agrégation de Philosophie van de Sorbonne (1935), en de Doctorat e‧s Lettres in 1950. Hij doceerde aan de Universiteit van Starbourg (1948-1957) en de Universiteit van Parijs-X, Nabterre, vanaf 1957; van 1971 tot 1985 was hij hoogleraar in de geschiedenis van de filosofie aan de Universiteit van Chicago. Hij won de Prix Cavailles in 1951 en de Hegel-prijs voor zijn Temps et Récit III, uitgegeven in 1985. Ricoeur behaalde talrijke eredoctoraten aan universiteiten over de hele wereld. Naast zijn eigen schrijven was hij redacteur van de collectie Éditions du Seuil, de redacteur van Revue de Métaphysique et Morale, en lid van het Institut International de Philosophie.

Ricoeur’s werk is het best te begrijpen als een samenspel van drie filosofische stromingen: reflexieve filosofie, fenomenologie en hermeneutiek. De reflexieve filosofie reikt terug tot Plato, en vindt moderne uitdrukking in Descartes’ zorg voor de cogito, Kant’s kritische filosofie, en de recente post-Kantiaanse Franse filosofie. De centrale zorg van deze traditie is de mogelijkheid van zelfbegrip. Reflexiviteit is de daad van het denken dat zich terugkeert naar zichzelf om het verenigende principe van zijn werking&#8212 te begrijpen; dat wil zeggen, het onderwerp of “ik”. Ricoeur zette de taak van de reflexieve filosofie voort. Zijn oorspronkelijke bedoeling was om een uitgebreide fenomenologie van het testament te ontwikkelen. Hoewel dit project niet voltooid is, werd het uitgevoerd door middel van verschillende werken: Vrijheid en Natuur: The Voluntary and the Involuntary (1966); Fallible Man (1965); en The Symbolism of Evil (1976). In al deze werken worden de dimensies van de menselijke subjectiviteit en haar wereld verkend.

Als student fenomenologie erkende Ricoeur dat het bewustzijn een opzettelijke structuur heeft; het bewustzijn is altijd het bewustzijn van iets. Daarom is er geen onmiddellijke zelftransparantie van het zelf voor zichzelf, zelfs niet door een reflexieve handeling. De reis naar zelfbegrip moet dus, in Ricoeur’s termen, een omweg van interpretatie inhouden. Het “ik denk” kent zichzelf alleen met betrekking tot de handeling van de intentie en de beoogde “zin”, of wat Husserl de noema. noemde, dat wil zeggen, het zelf kent zichzelf reflexief met betrekking tot intentionele objecten van bewustzijn die moeten worden geïnterpreteerd om hun belang voor het zelfbegrip te onthullen.

Met het besef dat begrip interpretatie inhoudt, volgt Ricoeur de hermeneutische denkwijze van Heidegger. De hermeneutische filosofie houdt vol dat de menselijke manier van zijn in de wereld er een is van begrijpen. De mens begrijpt zichzelf door de interpretatie van de culturele en taalkundige wereld waarin hij zich bevindt. Zo wordt de reis naar zelfbegrip opnieuw verdiept, omdat men de veelvuldige tekens, symbolen en teksten moet interpreteren die het karakter van het menselijk leven en zijn wereld onthullen. Dit heeft Ricoeur ertoe gebracht het probleem van het kwaad en het karakter van de religieuze taal te bestuderen, evenals talrijke werken over de filosofie van de geschiedenis.

Hermeneutische denkers stellen ook dat taal de primaire voorwaarde is voor alle ervaringen en dat taalkundige vormen (symbolen, metaforen, teksten) dimensies van de mens in de wereld onthullen. Zichzelf begrijpen is dus het begrijpen van het zelf, want het confronteert een linguïstische uitdrukking die de mogelijkheden van het bestaan onthult. Ironisch genoeg blijft het werk van Ricoeur dus in de traditie van de reflexieve filosofie, maar hij heeft de focus op het zelf en elke pretentie tot onmiddellijke zelfkennis gekwalificeerd. Zelfkennis is altijd hermeneutisch en wordt bereikt door interpretatie binnen het medium taal.

Cruciaal aan alle werken van Ricoeur was de ontwikkeling van wat hij de “hermeneutische boog” van begrip noemde, gedetailleerd in zijn Interpretatietheorie: Discours en de Surplus of Meaning (1976). Met deze “boog” bedoelt hij dat de interpretatie begint met de pre-reflectieve dimensies van het menselijk leven. Om tot een begrip te komen van ons pre-reflectieve wezen in de wereld is het noodzakelijk om de interpretatie van de teksten, symbolen, handelingen en gebeurtenissen die de menselijke situatie onthullen, te ondernemen. Op dit niveau van interpretatie pleitte Ricoeur, in tegenstelling tot sommige andere hermeneutische denkers, voor het belang van verschillende verklarende wetenschappen. Hij onderzocht het belang van de psychoanalyse (Freud en Filosofie, 1970), de structurele taalkunde en fenomenologie (The Conflict of Interpretations, 1974), de theorie van de mythe en het symbool (The Symbolism of Evil, 1967), en de narratieve theorie (Time and Narrative, 1984 [Vol. I] en 1986 [Vol.
II]), allemaal als onderdeel van de hermeneutische taak. Ricoeur was echter stellig van mening dat het moment van uitleg, hoewel noodzakelijk, niet voldoende is om het te begrijpen. Begrijpen is namelijk een daad van toe-eigening door de “lezer” van wat de tekst, het symbool of de gebeurtenis over de mens in de wereld onthult. Verklaring van de menselijke situatie vult de taak van het begrijpen aan, maar beantwoordt niet aan de taak van het begrijpen.

Ricoeur’s nadruk op de interpretatieve vorm van het begrip vereiste reflectie over de kracht van teksten, symbolen en mythen om iets over de mens en zijn wereld te onthullen. Centraal in zijn interpretatietheorie stond het werk over de referentiekracht van teksten door middel van studies van metafoor (The Rule of Metaphor, 1976) en narratief (Time and Narrative). De semantische theorie van Ricoeur ontsnapt aan een eenvoudige karakterisering. Zijn belangrijkste stelling is echter dat er betekenis wordt gegenereerd

wanneer er een conflict is van letterlijke claims op het niveau van de zin of wanneer de menselijke tijd en actie als een geheel worden geconfigureerd door middel van het verhaal. Teksten verwijzen dus naar de wereld, maar doen dat op een indirecte manier: ze geven de lezer een andere visie op de wereld dan mogelijk is. Ricoeur’s theorie van de metafoor en de tekst is van groot belang geweest voor de studie van de mythe, de literatuur en de religieuze taal.

Ricoeur’s gedachte was de creatieve convergentie van dominante lijnen in de moderne filosofie. Door het verkennen van de hermeneutische boog en de vele manieren waarop de mens zichzelf probeert te begrijpen (psychoanalyse, verhalen vertellen, mythe, etc.) leverde hij inhoudelijke bijdragen aan een breed scala van disciplines. Bovendien blijft Ricoeur’s filosofie van metafoor en vertelling het werk in alle menswetenschappen beïnvloeden. Er bestaat weinig twijfel over dat Ricoeur’s uitgebreide denkkader een scherp inzicht geeft in het zelfbegrip van onze tijd.

Ricoeur heeft zijn tempo gehouden in de publicatie van artikelen, vooral over de theorieën over rechtvaardigheid van John Rawls en anderen en over de relatie tussen ethiek en politiek. In het najaar van 1995 publiceerde hij twee kortere boeken, één met de titel Reflections accomplies, bevat zijn Intellectuele Autobiografie, samen met een aantal artikelen. Het andere, genaamd Justice, is een verzameling van zijn recente artikelen over rechtvaardigheid en de toepassing ervan in de moderne wereld. Zijn herontdekking in Frankrijk blijkt uit de talrijke interviews op televisie en in de kranten. Hij werd door president Mitterand uitgenodigd om een staatsdiner bij te wonen in het Elyseepaleis ter ere van president en mevrouw Clinton in juni 1994. Een boek over zijn leven, Paul Ricoeur, zijn leven en zijn werk werd gepubliceerd door de University of Chicago Press in 1996.

Verder lezen over Paul Ricoeur

Voor bronnen over het werk van Ricoeur zie zijn eigen Hermeneutiek en de Menswetenschappen, vertaald door John B. Thompson (Cambridge, 1981). Zie ook Don Ihde, Hermeneutische Fenomenologie: De filosofie van Paul Ricoeur (1971) en David E. Klemm, De hermeneutische theorie van Paul Ricoeur (1983).


GOSTOU? PARTILHE COM OS SEUS AMIGOS!